Boekhout van Solinge, Tim (1996), Enkele cijfers over de Franse drugssituatie in vergelijking met Nederland. Amsterdam, Centrum voor Drugsonderzoek, Universiteit van Amsterdam.
© Copyright 1996 Tim Boekhout van Solinge. All rights reserved.

[Link]

Enkele cijfers over de Franse drugssituatie in vergelijking met Nederland

Tim Boekhout van Solinge

Aantallen gebruikers

Cannabisgebruik in Nederland

Volgens de schatting van het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD) in Utrecht, zijn er in Nederland 675.000 gebruikers van cannabis. Het gaat dan niet om mensen die ooit wel eens hebben geëxperimenteerd, maar om mensen die het vaker gebruiken. Dit zijn de zogenaamde regelmatige gebruikers, al is ook dit een beetje onduidelijk begrip, maar dit probleem dit zich vaker bij prevalentiecijfers voor.

Volgens een enquête van het NIPO uit 1991 heeft 12% van de Nederlanders van 18 jaar en ouder wel eens cannabis gebruikt. Uit een enquête van het NIAD die in 1992 onder schoolgaande jeugd in de leeftijd 10-18 werd gehouden, kwam naar voren dat 12% wel eens cannabis had gebruikt.[1]

Cannabisgebruik in Frankrijk

Er moet van worden uitgeggaan dat er hierover in Frankrijk geen betrouwbare getallen zijn. Bijna alle cijfers die er zijn, zijn gebaseerd op steekproeven. Deze steekproeven zijn meestal te klein om er wetenschappelijk verantwoorde uitspraken over te kunnen doen. De grote verschillen tussen de resultaten van verschillende steekproeven geven deze onbetrouwbaarheid al aan.

Alle beschikbare cijfers over de prevalentie van cannabisgebruik staan vermeld in het cannabisrapport.[2] In Frankrijk worden de cijfers van het SOFRES vrij vaak genoemd. Volgens het SOFRES, te vergelijken met het Nederlandse bureau Inter/View, zijn er in Frankrijk 4,7 miljoen mensen in de leeftijdscategorie 12-44 jaar die ooit cannabis hebben gebruikt. Aangezien er in Frankrijk ongeveer 24,5 miljoen mensen rondlopen die in deze leeftijdscategorie vallen, kan men zeggen dat van deze leeftijdscategorie 19% cannabis heeft gebruikt. Van deze 4,7 miljoen is 1 miljoen het blijven gebruiken, wat neerkomt op 4% van deze leeftijdscategorie.[3]

Volgens verschillende studies van het Comité Français d'Education pour la Santé (CFES), hebben in de leeftijdscategorieën 18-24 en 25-34 jaar, tussen de 30% en 40% wel eens cannabis gebruikt (zie p.8 cannabisrapport).

Een vrij betrouwbare studie van het Institut National de la Santé et de la Recherche Médicale (INSERM), gebaseerd op een enquête uit 1993 die is gehouden onder 12.466 schoolgaande jongeren in de leeftijd 11 tot en met 19 jaar, laat zien dat 12% van deze jongeren wel eens cannabis heeft gebruikt (voor drugs `algemeen' is dat 15%).[4] Kijkt men naar de 'ouderen' binnen deze groep, dat wil zeggen de 18- en 19-jarigen, dan heeft 23% ooit cannabis (drugs algemeen 29%) gebruikt. Van al deze cijfers zou 40% behoren tot de regelmatige gebruikers.

Cannabisgebruik vergeleken

Het is moeilijk om de cijfers van Nederland en Frankrijk echt te kunnen vergelijken. Als je iets veiligs wilt zeggen en geheel op safe wilt spelen, dan kan je concluderen dat niets er op wijst dat in Frankrijk minder cannabis wordt gebruikt dan in Nederland. Als je hierbij betrekt dat het gaat om twee landen die de twee extremen binnen de Europese Unie vertegenwoordigen — het meest strenge beleid (Frankrijk en sinds kort ook Zweden) en meest liberale beleid (Nederland) — dan is dit misschien opmerkelijk. Doch als je het wat internationaler bekijkt, is het weer niet zo verrassend en past het in de internationale trend. Deze wijst er namelijk op dat het beleid er helemaal niet zo toe doet,[5] maar dat (internationale) jongerencultuur een veel belangrijker factor is, waar men klaarblijkelijk met wetgeving e.d. weinig invloed op kan uitoefenen.

Als je toch wat interessants wilt zeggen, dan kan je voorzichtig concluderen dat er waarschijnlijk in Frankrijk meer cannabis wordt gebruikt dan in Nederland. Het gaat dan niet zozeer om het ooit-gebruik (lifetime prevalentie), maar meer om de mensen (jongeren) die blijven gebruiken en dan vooral de mate waarin. Extreem cannabisgebruik zoals onder bepaalde jongeren, ondermeer in de cités van de voorsteden, bestaat in Nederland eigenlijk niet. De cijfers die uit de urinetests van het Franse Ministerie van Defensie naar voren komen, spreken wat dat betreft boekdelen. Van de goedgekeurde dienstplichtigen zou zo'n 13% tot 15% de laatste anderhalve week cannabis hebben gebruikt. Dergelijke cijfers zijn in Nederland onvoorstelbaar (zie cannabisrapport p.12 en 15).

Heroïnegebruik in Nederland

Er zijn in Nederland naar schatting 25.000 problematische heroïnegebruikers of heroïneverslaafden. Dit cijfer leest men bijvoorbeeld in de drugsnota en is vrij betrouwbaar, omdat het is gebaseerd op de cijfers van de hulpverleningsinstellingen (GG & GD's, CAD's, etc.). Men gaat er van uit dat deze instellingen contact hebben met zo'n 65% à70% van de verslaafden.

Heroïnegebruik in Frankrijk

In Frankrijk zijn er -weinig verrassend- weinig betrouwbare cijfers over de aantallen verslaafden. Probleem bij de beschikbare cijfers is dat meestal over toxicomane wordt gesproken, zonder dat deze term wordt gespecificeerd (soms worden hier ook de cannabisgebruikers onder verstaan).

Over het algemeen wordt er van uitgegaan dat het aantal heroïneverslaafden in Frankrijk ligt tussen de 150.000 en 300.000. Deze schatting is lange tijd aangehouden door de Délégation Générale à la Lutte contre la Drogue et la Toxicomanie (DGLDT), de interdepartementale organisatie die het drugsbeleid coördineert (of eigenlijk probeert de coördineren). In 1995 is een statisch overzichtswerk verschenen met betrekking tot drugs en gebruik.[6] Aangezien dit een regeringspublikatie is, zullen de cijfers in dit rapport wel de `standaard' worden.

In dit rapport komt de statisticus Jean-Michel Costes tot een schatting van 160.000 heroïneverslaafden. Hij merkt er bij op dat het hier gaat om een minimale schatting. Nader gepreciseerd gaat het bij deze schatting om personen die de laatste maanden op een langdurige en regelmatige wijze heroïne (als voornaamste stof) intraveneus hebben gebruikt en die zich hebben gewend tot de hulpverlening.[7] Kort gezegd gaat het dus om een minimale schatting van het aantal heroïneverslaafden dat zich meldt bij de hulpverlening. Het is echter onbekend welk deel van de verslaafden zich wendt tot de hulpverlening. De enige harde uitspraak die men kan doen is daarom dat het aantal heroïneverslaafden ten minste 160.000 bedraagt en in ieder geval niet lager ligt.

Het is interessant nog even te laten zien op welke berekening Costes' schatting van 160.000 is gebaseerd. Er van uitgaande dat zich in één jaar ongeveer 40.000 verslaafden melden bij de hulpverlening in Frankrijk, waarvan ongeveer de helft voor de eerste keer, betekent dit een jaarlijkse instroom van 20.000. Hierbij veronderstelt men dat de gemiddelde verslavingsduur 8 jaar bedraagt, waarmee het aantal heroïneverslaafden 'dus' ten minste 160.000 bedraagt.

Heroïnegebruik vergeleken

Als je de aantallen gebruikers afzet tegen de totale bevolking van de twee landen, dan is het verschil duidelijk. Nederland heeft 15 miljoen inwoners, Frankrijk 57 miljoen (factor 3,8). Zelfs volgens de discutabele schatting van de statisticus Costes heeft Frankrijk dus veel meer verslaafden.

Aids en Morbiditeit onder verslaafden

In Europa waren er in april 1995 150.000 Aids-gevallen bekend (cijfer WHO). Frankrijk stond bovenaan met 38.000 Aids-gevallen, gevolgd door Spanje (35.000) en Italië (30.000). Nederland was zesde met ongeveer 3.500.

Nederland

Relatief gezien, zijn er dus in Nederland niet zo veel Aids-gevallen. Op de totale Aids-populatie bedraagt het aantal verslaafden in Nederland ongeveer 11% (cijfer NIAD).

Andersom is de vraag hoeveel van de verslaafden besmet zijn met HIV. Welnu, hiervoor bestaat geen algemeen cijfer. Je moet je dus baseren op verschillende studies.

Alvorens die cijfers te noemen eerst enkele opmerkingen. Het bijzondere aan de Nederlandse situatie is dat er zo veel wordt gechineesd en weinig wordt gespoten (intraveneus wordt gebruikt). De meeste heroïnegebruikers in Nederland chinezen dus, in tegenstelling tot de situatie in het buitenland. Dit Nederlandse consumptiepatroon heeft verschillende oorzaken. Ten eerste is het beïnvloed door de rookcultuur van de Chinezen. De tweede oorzaak ligt in de lage prijzen en de hoge kwaliteit van de heroïne in Nederland. Met chinezen heb je in principe minder rendement dan bij een intraveneuze toediening, dus dit kan je je alleen veroorloven als de prijzen laag zijn en/of de kwaliteit hoog is. Een derde reden is de voorlichting en preventie. In Nederland wordt gebruikers gezegd dat het veiliger is te chinezen dan te spuiten. Ook bestaat er al lange tijd spuitomruil.

Het is dus een (kleine) minderheid van de heroïnegebruikers in Nederland die spuit en hun aandeel is dalende. De volgende cijfers zijn gebaseerd op de spuitende (intraveneuze) heroïnegebruikers. Zij gelden dus voor deze (kleine) minderheid van de heroïneverslaafden.

In Amsterdam is 30% van de intraveneuze heroïnegebruikers seropositief (van de totale populatie verslaafden 18%). Dit percentage is hoog, wat ondermeer komt doordat de epidemie in deze stad is begonnen. In andere plaatsen heeft men vervolgens kunnen profiteren van de Amsterdamse ervaringen en genomen preventiemaatregelen.

Volgens het NIAD liggen de seroprevalentie van het HIV-virus onder intraveneuze heroïnegebruikers in Rotterdam veel lager, namelijk 12%. In Zuid-Limburg bedraagt dit percentage 10%. Net als Amsterdam gaat het bij Rotterdam en Zuid-Limburg om regio's waar veel (internationaal) contact plaatsvindt, wat de kans op verspreiding groter maakt. Er is ook nog in drie andere steden (Deventer, Alkmaar en Arnhem) een studie verricht. In deze steden bleek niet meer dan 2% seropositief te zijn.

Frankrijk

Vergeleken met de meeste andere Westeuropese landen zijn Aids en het HIV-virus vrij wijdverspreid in Frankrijk. Op 31 december 1994 waren er sinds het begin van de epidemie 34.287 Aids-gevallen bekend, waarvan 59% reeds was overleden. Naar schatting ligt het totale aantal Aids-gevallen in Frankrijk tussen de 40.000 en 43.500.[8]

Verslaafden maken een groot deel uit van de Aids-gevallen; van de Aids-gevallen die sinds 1978 bekend zijn, is bijna éénderde gelieerd aan verslaving. Het rapport Henrion stelt dat in juni 1994 23,3% van de Aidspatiënten verslaafden betrof. Verslaafden gelden na bi/homosexuelen als de tweede risicogroep. Wordt gekeken naar het aantal nieuwe geïnfecteerden van 6.600 in 1994, dan gaat het hierbij om 2.600 bi/homoseksuelen (39%), 1.700 druggebruikers (26%) en 1.200 heteroseksuelen (18%).[9]

Ook in Frankrijk is er geen algemeen geldend cijfer wat betreft het aantal HIV-geïnfecteerden onder verslaafden. Uiteraard ligt dit percentage veel hoger dan in Nederland omdat vrijwel alle heroïneverslaafden spuiten, er nog niet zo lang spuitomruil bestaat, en er nagenoeg geen gerichte preventie heeft plaatsgehad.

Volgens het rapport Toxicomanie et sida uit 1993 van de Franse nationale Aidsraad (Conseil national du sida), bedraagt het aantal seropositieven onder verslaafden tussen de 33% en 38%. Sommige andere studies laten echter lagere cijfers zien. Het Centre européen pour la surveillance épidemiologique du sida bijvoorbeeld, heeft een enquête uitgevoerd naar het aantal HIV-seropositieven onder verslaafden die woonachtig zijn binnen gespecialiseerde zorginstellingen.[10] Dit centrum kwam op een seroprevalentie van 17,4%.

Volgens een grote enquête die in 1993 is uitgevoerd door de Service des Statistiques, des Etudes et des Systèmes d'information (SESI) van het Ministerie van Sociale Zaken, zou 29% van de verslaafden seropostief zijn. Van de intraveneuze gebruikers zou dit 35% zijn.

Deze en andere cijfers combinerend zou je er van uit kunnen gaan dat over het algemeen genomen 25% tot 30% van de heroïneverslaafden in Frankrijk seropositief is.

Noten

  1. S.B.M. Kuipers, C. Mensink & W.M. de Zwart (1993), Jeugd en riskant gedrag; Roken, drinken, druggebruik en gokken onder scholieren vanaf 10 jaar, Utrecht: Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD).
  2. T. Boekhout van Solinge (1995), De situatie met betrekking tot cannabis in Frankrijk, hoofdstuk 2.
  3. Deze cijfers zijn niet zo betrouwbaar. Aangezien er in Frankrijk een groot taboe rust op drugs, zullen veel mensen dit niet toegeven. Hierbij moet niet worden vergeten dat elk druggebruik volgens de wet een misdrijf is.
  4. Marie Choquet & Sylvie Ledoux (1994), Adolescents. Enquête nationale, INSERM.
  5. Deze gedachte, onderbouwd met internationaal cijfermateriaal, leze men bijvoorbeeld in het recente proefschrift van de criminoloog Dirk Korf (1995), Dutch Treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands, Amsterdam: Thesis Publishers.
  6. Chloé Carpentier & Jean-Michel Costes (1995), Drogues et Toxicomanies. Indicateurs et Tendances. Dit is een gezamenlijke uitgave van de DGLDT en het Observatoire Français des Drogues et Toxicomanies (OFDT). Het OFDT is nog min of meer onderdeel van de DGLDT, maar moet hier op den duur van los komen.
  7. In het Frans staat hier: 'Des personnes consommant, en produit principal, de façon prolongée et régulière, de l'héroïne au cours des derniers mois qui ont ou auront recours au système sanitaire et social'. Uit: Carpentier & Costes (1995), op.cit. 45.
  8. Bulletin Epidemiologique Hebdomadaire, Surveillance du Sida en France, nr. 8/1995, 21 februari 1995.
  9. Idem.
  10. Deze instellingen heten Centres Spécialisées de Soins pour Toxicomanes avec Hébergement (CSSTH).