Drug use statistics Library Home Home Universiteit van Amsterdam
Cohen, Peter (2004), Perspectieven op een levensstijl. Geschiedenissen van opium- en heroïneverslaving. Amsterdam: CEDRO. Drugs & the Law - Literary and Discussion Section, Vol 2, No 4 (2010).
© Copyright 2004 Peter Cohen. All rights reserved.

[English]

Perspectieven op een levensstijl

Geschiedenissen van opium- en heroïneverslaving [1]

Peter Cohen

Een bespreking van:

David Courtwright (1982, 2001), Dark Paradise. A History of Opiate Addiction in America. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press.

Caroline Jean Acker (2002), Creating the American Junkie. Addiction Research in the Classic Era of Narcotic Control. Baltimore, Maryland: The Johns Hopkins University Press.

In het nu volgende laat ik de boeken van Courtwright en Acker in ‘ein durcheinander’ spel passeren, waarbij ik steeds informatie laat terug keren maar in een net iets andere vorm. De bedoeling is om het betoog over de boeken te kruisen met eigen voorkeur voor theorie over drugsbeleid en de sociale constructie van zowel ‘verslaving’ als ‘de junkie’. Aan het einde van dit verhaal zal de lezer merken dat ik niet van de hak op de tak sprong, maar van tak op tak, soms even terugkerend op een plek waar ik al was.

De boeken van Courtwright (eerste uitgave 1982, tweede 2001) en Acker (2002) die hier aan de orde komen zijn geschreven door historici, zeldzame vogels in de wereld van het drugsonderzoek. Vaker vindt je daar medici, psychiaters en neurologen, hoewel de sociologen na 1945 in relatief grote getale hebben gesnoven aan dit terrein, een paar zelfs hun hele carriere (zoals Lindesmith, Waldorf, Gerritsen, Bergeron). Acker richt zich op het uitpluizen van de vraag hoe de inzichten in ‘verslaving’ aan drugs (met name opiaten) zich hebben gevormd in een periode die begint halverwege de 19e eeuw. Courtwright wil eerder weten hoeveel verslaafden er wel waren (hij noemt dat ‘historical epidemiology’), en hoe het Amerikaanse beleid ontstond over die verslaafden. Hun beschrijvingen gaan tot in de jaren 90 van de 20e eeuw.

Je zou verwachten dat de introductie van sociologische manieren van kijken vanaf de dertiger jaren het al lang mogelijk had moeten maken een strict relativerend perspectief op verknocht drug en alcohol gebruik te hebben. De overgang van een medisch gefundeerde gewoonte om opiaten te nemen en een rol te geven in het leven, naar een op nieuwe functionaliteit gebaseerde gewoonte (inclusief opscheppen, plezier maken, lekker uit je dak gaan, zelf-medicatie of even uitrusten, en dat net zo vaak als men wil) is een maatschappelijke ontwikkeling die psychiaters en politiemensen niet kunnen zien, maar sociologen wel. Dat inzicht zou moeten uitlopen in andere naamgevingen. Wat psychiaters verslaving noemen (en zien als bezetenheid door drugs, alcohol, voedsel etc) zouden sociologen een levenstijl kunnen noemen. Een levensstijl die soms gevolgen heeft voor je lichaam, maar dat gebeurt bij de bon vivant wel meer, ook bij de regelmatige sporter, of bij de streng religieuze moeder die 13 kinderen krijgt.

Zoals Courtwright in detail beschrijft is de overgang van iatrogeen naar recreatief gebruik toch hoofdzakelijk gezien als een verandering van ‘type verslaafde’, niet als een maatschappelijke uitbreiding van gedragingen met ditto verandering van jargon (opdat de verslaafde, net als ooit de heks, conceptueel kon veranderen in een gewoon mens waar je niks meer aan ziet omdat je nergens op let).

Overduidelijk wordt uit deze boeken dat we er nog lang niet uit zijn, en dat de geschiedenis van verslaving een belangrijk maar nauwelijks ontgonnen terrein is van onderzoek naar de opvattingen die wij hebben over onze menselijkheid en individualiteit.

De uitvinding van het begrip verslaving, moet mijns inziens worden begrepen als een diep bijgelovige constructie in een tijd dat de mens nog geloofde in ‘bezeten zijn’ door de duivel, ‘behekst’ zijn door het Kwaad, kortom gekidnapt door een Kracht van Buiten.

Het is van een adembenemde fascinatie om te zien hoe religieus de houding van de psychiaters was tijdens de ontwikkeling van kijken naar opium ‘verslaving’. Dat gebeurde in de tijd waarin ook de psychiatrie zelf sterk ontwikkelde. Medische ‘verslaafden’, de eerste mensen die niet meer zonder opium of morfine wilden leven, vanuit een medische etiologie (pijn, nervositeit, morfine voorgeschreven krijgen door de dokter voor elke door hem geoorloofde reden) kunnen op volstrekt fatsoenlijk wijze het opiaat blijven krijgen. Het niet-medische type, het type dat geen morfine kon krijgen onder de eagis van het medisch waardeoordeel, werd beschouwd als een heel ander soort ‘verslaafde’. De de intentie van het gedrag werd dus een belangrijke waterscheiding hoewel het gedrag van de één in de praktijk identiek is aan het gedrag van de ander.

Zou hier iets van de protestantse puriteinse ethiek en restanten van predestinatie te vinden zijn? Of is dit beter te beschouwen als onderdeel van de strijd der medici om de monopolisering van het farmakon via de opiaten? Dat laatste, zegt Acker, hoewel er volgens haar nog wel meer belanghebbe partijen meespeelden.[2]

Courtwright zelf gebruikt het begrip ‘verslaafde’ vrij onspecifiek, zoals de mensen op straat, ook in de tijd van eind 19e eeuw en begin 20ste. Acker daarentegen vraagt zich af wat de verschillende observatoren bedoelen als ze het woord ‘verslaafde’ gebruiken, maar erg ver gaat ze daar niet in. Ze komt nog het dichtst bij een bruikbare relativering van het begrip verslaving als ze het laat zien als een vorm van deviantie die een culturele waarde krijgt mede doordat deze gepaard wordt aan andere devianties zoals prostitutie en misdaad (‘vice’). Volgens haar lagen belangrijke momenten in de ontwikkeling van visie op drugs (met name opium, morfine en heroïne) in het maken van die combinatie van devianties. Als verslaving voorkomt onder hoeren, worden de twee (sociale) problemen van drugs en prostitutie gekoppeld, en versterken ze elkaars benoeming als ‘probleem’. "Opiaat verslaving” zegt Acker "zorgde in de 1920-1930er jaren voor een kern rondom welke verschillende hervormings- en wetenschappelijke groeperingen hun agenda’s construeerden, middelen toewezen en hun eigen werk onder de aandacht brachten. Daartoe behoorden maatschappelijke hervormers, beleidsmakers, biomedische wetenschappers, medici, functionarissen van de openbare gezonheidszorg en politie.”

Dit inzicht, of het aantonen van deze maatschappelijke complexen, helpt Acker om te laten zien dat 'opiaatverslaving' niet neutraal op een (wetenschappelijke) agenda kon staan, maar een beladen onderdeel was van een ingewikkeld geheel aan groeps- en beleidsbelangen. Die belangen zorgen ervoor dat elke beschrijving een budget-gevolg heeft, dat elke nieuwe taal over drugs fataal kan worden voor één of meer groeperingen. En zo is het nog steeds, alhoewel die belangen immens vergroot zijn vanwege de veel grotere budgetten en het veel groter aantal instellingen dat zijn bestaan dankt aan het verbieden van druggebruik. Denk aan de krankzinnige vergroting van de budgetten voor ‘hulpverlening’ die zelfs een aparte kaste van hogepriesters van verslavingstaal hebben doen ontstaan. Een ander groot verschil met de periode tussen 1920 en 1930 is dat de relatief nieuwe internationale vervlechting via de drugsverdragen, de begin 20e eeuwse constructies heeft verheven naar een vrijwel onaantastbare kluwen van transnationale belangen.[3] Courtwright, noch Acker beschouwen vreemd genoeg die internationale vervlechting in hun geschiedenis. Ze laten wel zien hoe het ‘drugsonderzoek’ integraal deel uitmaakt van een structureel belangencomplex, dat zich in een vorm van onderling cliëntelisme ijzersterk handhaaft.

Door de grondigheid van Acker’s stukken over de geschiedenis van het denken over 'verslaving', lijkt haar analyse van de huidige toestand in Noord Amerika oppervlakkig. Op een aantal plekken laat ze wel merken hoe blij ze is met de mogelijkheid dat opiaatgebruikers methadon kan worden voorgeschreven, onderhoudsbehandeling die in de 20er jaren volledig werd verwijderd als mogelijke interventie. Maar heroïne-onderhoud is nog steeds onbespreekbaar in de VS, en de harde regimes in de (geprivatiseerde) methadonklinieken komen bij haar niet onde de loupe. Ze spreekt wel over ‘drakonische drugswetgeving’ in Noord Amerika, maar nauwelijks over de invloed die dit heeft op de door stedelijk verval getroffen gettogebieden. En dat Amerika, mede door haar drugswetgeving en de vergaande politieke exploitatie van angst (voor drugs, communisten, terroristen, moordenaars, inbrekers, de 60er jaren cultuur) de grootste gulag van de wereld werd, komen we bij Acker niet te weten.[4] De drugswetgeving en de drugspolitiemacht (DEA) heeft het aantal mensen dat naar de intredes van de gulag wordt gevoerd vanaf 1987 in een ongekende stroomversnelling gebracht. Dankzij de verloedering van de straftoemeting en het strafrecht (in Amerika ‘strafhervorming’ geheten) is de gevangenis en bewakers-business tot bloei gekomen. Waarom wilde Acker hier niets over schrijven, evenmin als Courtwright? Leveren ze hun kritiek via de omweg van soms uiterst venijnige beschrijving van het verleden?

Van kritiek op de drugspolitie, of op het National Institute on Drug Abuse (NIDA) is dus jammer genoeg nauwelijks sprake. Hooguit rammelt Acker wat aan de puur neurologisch gerichte onderzoeksmode bij het NIDA, de comfortabel gefinancierde onderzoekspoot van het federale Amerikaanse prohibitionisme.[5] Daarentegen levert ze weer wel, als bewijs van haar epistemologische bijdehandheid, een lucide kritiek op de manier van steekproef trekken in het oude werk van de socioloog Bingham Dai, waardoor invloedrijke beschrijvingen van druggebruik van voor de Tweede Wereldoorlog slechts berustten op arme bewoners van gevangenissen en klinieken.

Deze kritiek op Acker laat onverlet dat haar boek van grote waarde is, bij tijd en wijle boeiend en van een elegant panoramisch uitzicht op de geschiedenis van de ‘junkie’.

Zo begint ze haar boek met de zin "De Amerikaanse junkie is een product van de Amerikaanse geschiedenis". Ze geeft daarmee de sterk sociologische en historiserende toon aan die het werk kenmerkt, en neemt meteen een enorme afstand van het nog immer dominante psychiatrische, neurologische, en farmacologische getheoretiseer. Er zijn niet veel theoretici die de ‘junkie’ aan serieus onderzoek hebben onderworpen. De in Boston werkende psychiater Norman Zinberg, een psychoanalyticus die actief was in de jaren 60 (tot in de jaren 80) is bij mijn weten de eerste geweest die heeft geprobeerd de carriere van een kleine groep druggebruikers zo te beschrijven, dat het fysiek en mentaal ‘junkificeren’ als sociaal proces begrijpelijk werd. Hij werd met dat artikel (nota bene verschenen in het psychoanalytische tijdschrift over kinderen) de meest sociologische van de drugspsychiaters, en heeft deze rol tot zijn dood behouden. Net als Acker in haar recente boek nam hij daarmee afstand van een op het ‘farmakon’ of op een hersencel gebouwde analyse van de junk.

Wat Acker geprobeerd heeft is het nieuwe fenomeen ‘junkie’ centraal stellen, maar niet tot op het niveau van detail van Zinberg. Aan de hand van een groot aantal bronnen reconstrueert ze hoe de wetenschappelijke en politieke elites gedurende de afgelopen eeuw zijn gaan denken over het ‘verslaafd’ zijn of raken aan opiaten. Het concept 'junkie' historiseert ze door de opkomst van zijn clochard-achtige bestaanwijze in de tijd van na de opiumdrooglegging te plaatsen. Ze laat zien dat medisch ‘verslaafden’ niet of nauwelijks verjunkten, omdat die niet terecht kwamen in de moordende combinatie van proletarische afkomst, ‘vice control’ in de stad, gevangenis en kliniek. Medisch ‘verslaafden’ werden niet ontdaan van de mogelijkheden sociaal geïntegreerd te zijn. Ze werden niet beroofd van of bedreigd in elke conventionele rol, zelfs die van ouder of werknemer. Toen in de 20er jaren de mogelijkheden tot legale toegang tot opiaten verder werden ingeperkt, werd dat verschijnsel nog duidelijker. Courtwright ondersteunt haar op dit punt.

In haar omschrijvingen van medische en niet-medische ‘verslaafden’ legt ze dus hetzelfde parcours af als David Courtright in Dark Paradise. Dit werk, een succesvol boek vanaf haar verschijnen is nu gevolgd door een tweede editie. Deze laatste wordt hier besproken.

Acker en Courtwright hebben de bronnen in de magnifieke Amerikaanse bibliotheken grondig bekeken, en daarmee het hol van de leeuw. Ons huidige drugbeleid is in zijn grondbeginselen en vele van zijn juridische uitwerkingen een Amerikaans instituut, en om dat in de gaten te krijgen zijn beide boeken onmisbaar. Eerder hadden we natuurlijk al David Musto zijn boek The American Disease: Origins of Narcotic Control uit 1973. Dat boek is nog steeds het hoofdwerk. Boeken over drugbeleid die zo diep de historie ingaan als deze drie zijn een ware tragedie voor de geïnteresserde leek, omdat ze het raadsel van ons drugbeleid alleen maar vergroten. Voor mij was het lezen van Musto indertijd zoiets als teruggaan naar de tijden van de Inquisitie, de heksenverbranding of de aderlating, maar dit alles —in aangepaste vorm— in het heden!

Courtwright was een herhaling van dat gevoel, minder intens dan bij Musto, en ik vond Courtwright indertijd ook minder relevant. Bij tweede lezing van Courtwright, dezer dagen precies twintig jaar later, ben ik toch wel vaak mijn hoed op en af gaan zetten.

Hier is een historicus aan het werk die ik eerst niet zo hoog had vanwege zijn gebrek aan sociologische distantie en verbeelding, maar je zult toch maar doen wat hij deed: het creëren van een lijst referenties en het inzicht bieden in een hoeveelheid materiaal die voor niet-Amerikanen volkomen ontoegankelijk is. Alleen al de tijd die nodig was om die papieren op te sporen, de handschriften en brieven te lezen, en de correcties van oude manuscripten te bekijken zoals de auteurs die zelf nog deden! En de vaak zorgvuldige beschrijvingen van veel materiaal, uitbundige basisstof voor excursies die anderen dan maar moeten maken in filosofische, cultuurtheoretische of sociologische buitengebieden.

Acker en Courwright stoten, zoals ik al zei, op de oude dichotomie in het categoriseren van soorten ‘verslaafdheid’, namelijk de ‘ongelukkigerwijs’ verslaafde, meestal door medische behandeling met een opiaat, en de ‘puur slechte’ verslaafde, de ‘psychisch gestoorde’ genotzoeker die niet anders verdient dan heropvoeding in een cachot.

Aan de hand van citaten van gebruikers en uit rapporten van onderzoekers die gebruikers interviewen laten Acker en Courtwright zien hoe de etiologie van druggebruik door de loop van de 19e eeuw veranderde naar die van de 20e. Was in de 19e eeuw opium (en codeïne of morfine) nog het enige werkzame middel tegen constante diarree, hoofdpijnen, menstruatielast of depressies, de nieuwe middelen van de 20e (aspirine!) maakten het mogelijk dat de heroïne een middel kon worden dat ook alleen vanwege ‘genot’of ander nut kon worden gebruikt.

Beide auteurs laten zien dat de manier van kijken naar opiaatgebruik, zoals deze stamt uit het moralistische en christelijke Amerika, niet veel (maar wel iets) verschilt van de manier van kijken naar alcohol. Zodra deze stoffen werden gebruikt in een context van vooral grote stadsplezier (‘vice’), werden ze symbool van teloorgang van een gelovig plattelandsbestaan, de oer-levenswijze van de Amerikaanse blanke. Alcohol had al de naam van de punt op de i van arbeiders-ellende, en daar kwam het moderne stadproletarische gebruik van heroïne nu nog bij. “Alcohol and drugs were also prominent features of the social scene that seemed to give rise to prostitution and syphilis” (Acker, p. 27). Het maken van een oorzakelijke en verabsoluteerde verbinding tussen substantie en (moreel beoordeeld) gedrag ligt aan alle klassieke kijkwijzen naar drugs en alcohol ten grondslag. Alleen de doorgewinterde socioloog kan daar uit ontsnappen door te herkennen dat maatschappelijke status, urbanisering en economische structuur hier vitale ingrediënten zijn. De verdienste van Acker is dat ze dit glashelder uitlegt via de ontstaans geschiedenis van de ‘junkie’.

Acker’s materiaal is even wijds als dat van Courtwright, maar ze neemt zoveel sociologische geschooldheid mee, dat ze haar materiaal veel meer kan laten doen. Het is wel niet zo indrukwekkend als de absolute top op het gebied van de moderne drugssociologie (de syntheses in Crack in America door Reinarman en Levine in hun gelijknamige bundel) maar dat heeft ook te maken met het hoge abstractieniveau dat haar onderwerp kenmerkt. Reinarman en Levine verblijven in de getto’s en ontginnen de verbijsterende hysterie over crack, zodat ze makkelijker indruk maken.

Dat drugbeleid ook een functie werd van allerlei progressieve bewegingen in het eind 19e eeuwse Amerika is een punt dat Acker terecht op een aantal plekken herhaalt. Progressie moet worden opgevat als "de staat laten ingrijpen in het bestrijden van sociale problemen" zoals drugs of hoererij. Dat de definiëring van wat een 'sociaal probleem' is natuurlijk zelf een interessant sociologische verschijnsel is levert Acker een aardig aantal doelpunten op.

Zoals zij kort en bondig vaststelt was de sleutel-kwestie ‘of verslaving een ziekte was of een zonde’ (p. 38). Wetenschappers probeerden dat uit te zoeken in het kader van het vinden van het juiste ‘beleid’, en kwamen met gemengde antwoorden. Verslaving was zowel zonde als ziekte en essentieel werd op welke categorie elke persoon het meest werd ingedeeld. De selectie was alles. Kort door de bocht: links af, gecriminaliseerd worden en verjunken, rechtsaf, legaal toegang houden tot de gekozen stof en dus kunnen werken, geld verdienen en geïntegreerd blijven.

Het verknocht raken aan een stof, alcohol of anders, en daar niet zonder willen bestaan, kon in de 19e en 20ste eeuw nog niet worden gezien als een door de moderniteit mogelijk geworden levenstijl of modus van aanpassing. Een nieuwe levensstijl met evenveel recht op bestaan als de eveneens nieuwe verknocht zijn aan werk van 9 tot 5’, het door het leven gaan zonder religie of het ongehuwd moeder zijn’.[6]

Zelfs nu zijn we daar niet aan toe. En Acker, geloof ik, ook niet. Zonde of ziekte blijft de kernvraag waarom heen ze draait alhoewel ze een aantal auteurs voor het voetlicht haalt die ‘verslaving’ (wat het dan ook is) niet anders beschrijven dan als een aangeleerde en dan centraal geworden levenstijl (Becker, Gofman). Ze beschrijft die auteurs echter niet als vernieuwingen die ons conceptueel uit het moeras van de verslavings/bezetenheids-voodoo kunnen helpen, die hardnekkige erfenis uit de middeleeuwen. Acker toont haar machteloosheid ook als ze af en toe nicotine noemt, en geen afstand maakt tot het officiele Surgeon General verslavingsgedoe over tabak en nicotine [7]. Wel zegt ze dat ‘nicotineverslaving’ toch niet zo erg is en ik heb sterk het gevoel dat dit haar manier is om aan te geven dat hier van alles niet klopt! Maar, de vraag of tabak gebruik wel begrepen kan worden in de farmacocentrische visie op menselijk gedrag van de celbioloog of farmacoloog, stelt ze niet of kan ze niet stellen.

De sprong die homosexualiteit in sommige landen uiteindelijk heeft gemaakt —na een lange en zeer emotionele maatschappelijke strijd— uit de dichotomie van ziekte en/of zonde naar een levenstijl binnen de perken van de ‘normaliteit’, die overgang hebben Acker en de door haar gekozen concepten rond drugsverknochtheid nog niet gemaakt. Wel herkent ze dat het af en toe snoepen van drugs nog door velen wordt gezien als het voorportaal van de ‘zonde val’, de bijbelse Appel van Eva in het hier en nu. Voor alcohol bestond diezelfde notie, maar ook die is verdwenen; alcohol is in de meeste van zijn gebruikspatronen normaal geworden .

Courtwright’s boek is vooral een poging tot reconstructie van het gebruik van opiaten in de Verenigde Staten ten tijde van de politieke ontwikkelingen die hebben geleid tot de opium-drooglegging. Hij ontvouwt daartoe een groot aantal bronnen en kruisvalideert ze, om te komen tot een verklaring van de grove overschatting van opiumgebruik in de tweede helft van de 19e eeuw. Hij wijdt eerst een hoofdstuk aan de lotgevallen van opium en morfine, dan aan die van heroïne en daarna weer aan rook-opium! Voor hem zijn de stoffen zelf het ordeningsprincipe voor de materie die hij toont.

Het beleids-lot van de verschillende stoffen en de avonturen van de gebruikers ervan komen uitvoerig aan bod. Hij wil vooral laten zien hoe in bepaalde gevallen de auteurs van rapporten ‘gegevens manipuleerden of zelfs fabriceerden ‘ (pag 9). Het kennis nemen van die bronnen is interessant voor de vaklieden onder ons. Van veel bredere relevantie is de conclusie van Courtwright dat gedurende de kern-constructie van het Amerikaanse drugbeleid (1910-1920) de openbare mening ‘intensief beïnvloed werd door verkeerde en zelfs vervalste gegevens’ (p. 33).

Hij onderbouwt dat de functie van opiaten geleidelijk verandert. Opium ontwikkelt van een handig product bij de drogist vandaan in de oude vrijwel medicijnloze wereld, naar een sterk gecommercialiseerd goed tijdens de opkomst van de industrialisatie, naar een strijdpunt ten behoeve van de vorming van het medische receptenmonopolie. En de andere ontwikkeling is die van opium in de vorm van laudanum voor het volk naar voorzichtig onderhuids geïnjecteerde morfine voor de dame van stand, en vanaf de vroege 20ste eeuw gesnoven of intraveneus geïnjecteerde heroïne voor de grote stads-proletarier die naar jazz luistert of de hoer speelt. Die laatste gebruiker loopt een grote kans te verjunken (als hij niet de middelen en de status heeft van grote kunstenaars, zoals Charly Parker). De maatschappelijke en culturele connotaties van opiaten veranderen niet alleen met de organisatie van het medicijnenvak, maar ook met de verandering van meest opvallende gebruikersgroepen die ontstaan in moderne kweekvijvers waar drugswetgeving en economie de hoofd determinanten zijn.

Courtwright en Acker laten de goede verstaander zien dat drugs- en alcoholbeleid essentiële onderdelen worden in een politieke bewustwording van de functies van de moderne staat. En dus van het gevecht om invloed van machtige beroepsgroepen daarin die de staat gebruiken, in het geval van drugs die van de medicijnen en die van de ordebewaking. De nieuwste ontwikkeling, namelijk de functionaliteit van drugsdrooglegging voor de uitvinders van ‘goede’ drugs in de farmaceutische industrie (de puissant machtige tak van de medische familie) komt bij beiden weer niet aan de orde.[8]

Het laaste hoofdstuk van de oorsponkelijk versie van het het boek van Courtwright heet The transformation of the Opiate Addict en gaat ook over de verschuiving van de medisch gebaseerde ‘verslaving’ naar de zelf-begonnen of gekozen vormen ervan. Zowel de iatrogene als de zelf gekozen vorm moesten worden onderdrukt via een drooglegging. Van die onderdrukking geeft Courwright het verslag, en hij verhaalt de geschiedenis van de belastingwetgeving die de Federale Amerikaanse Staat daartoe ontwierp. Courtwright geeft in een boeiend nevenbetoog aan hoe de beginnende instituties voor de handhaving van het drugsverbod gespecialiseerd raken in de manipulatie van data over de verschillende soorten ‘verslaving’: "Zo het probleem van wetgevers en openbare aanklagers het overdrijven was van de mate van verslaving in de jaren voor 1919 om stringentere wetgeving te verkrijgen, zo was het probleem van burocraten na 1919 precies het omgekeerde: laten zien dat de stringente wetten werkten!"

Tegen deze achtergrond is het verhaal over de verschillende soorten verslaving alleen van belang omdat die categorieën de structuur boden voor de toenmalige berekeningen, en de manipulatie ermee. Harry Anslinger, de beroemde baas van het Bureau of Narcotics in de periode tussen de wereldoorlogen, wordt het prototype van de met gegevens goochelende ‘drug tsaar’ zoals deze nog steeds in de VS werkt.[9]

De twee nieuwe hoofdstukken die de uitgave van 2001 dikker maken dan de oorspronkelijke zijn heel wat minder interessant. Ja, heroïne —later crack— blijft een probleem van de grote stad, in steeds hogere mate ook nog van de getto’s aldaar. Ja, de drugswetgeving wordt steeds strenger. Ja, “de chinezen” creëren de heroïneverslaving bij de zwarte bevolking, zo werd gezegd.

Zeer opmerkelijk is wel de uitspraak, nadat Courtwright de drug tsaren heeft laten passeren van Nixon tot Bush Sr, dat modern “drugbeleid, niet meer verbonden met zorgen over heroïne, of met drugs überhaupt, zich ontwikkeld heeft tot een (politiek) instrument van verkiezing of herverkiezing [...] gevechten om middelen en tot een cultuur-oorlog omnibus” (p. 179). En daarmee toont Courtwright haarscherp dat ‘drugsbeleid’ een immense agenda bedient, zo als de Inquisitie, of het recente rassenbeleid in Zuid-Afrika of Nazi-Duitsland.

Mij verbaasde het in eerste instantie wel, dat ondanks de hoeveelheid bronnen die Courtwright introduceert en zijn weldadig cynisme overt de kardinalen en koningen van het drugsbeleid, zijn taalgebruik over de drugs zelf zo dicht blijft bij dat van de doorsnee employee in de verslavingskliniek-business. Hij is oprecht bang voor drugs, en de geschiedenissen die hij vertelt lijken op die van de anti-alcoholpredikanten uit de 19e eeuw. Voor hem is verslaving een ‘feit’, zoals ‘beheksing’ dat vroeger was. Het lukt hem niet de etiologie van het concept drug en van voorstellingen over ‘verslaving’ te problematiseren, of te begrijpen hoezeer hier sprake is van sociale constructie. Hij herkent de constructie van ‘gegevens’ en statistieken, niet die van concepten of culturele logica en hun determinantie van maatschappelijke producten (zoals de junkie). Courtwright wil een stem geven aan 'de gezichtspunten van zowel verslaafden als niet verslaafden' zo zegt hij in de introductie. Dat doet hij zorgvuldig, zonder de taal waarin ze spreken aan een meta-analyse te onderwerpen. Acker vult hem daar wel degelijk aan, waardoor deze twee historische studies prachtig na elkaar gelezen kunnen worden. (En als de lezer toch aan het lezen slaat, vergeet dan niet de spannende dissertatie van Jaap van der Stel uit 1995.)

Ik bezie het werk van Courtwright als dat van de D’66er [10] die zich senang voelt met het systeem van de vrije markt, maar wel af en toe wat ‘vraagtekens’ plaatst bij delen van de retoriek erover. Courtwright is soms niet aardig voor de pausen en kardinalen van de drooglegging, maar hij bestrijdt de rechtmatigheid van hun geloof geenszins. Is dat erg? Nee, het is niet erg. Het is nog steeds normaal.

Referenties en bibliografie

David Courtwright (1982, 2001), Dark Paradise. A History of Opiate Addiction in America. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press.

Caroline Jean Acker (2002), Creating the American Junkie. Addiction Research in the Classic Era of Narcotic Control. Baltimore, Maryland: The Johns Hopkins University Press.

David Musto (1973), The American disease. Origins of Narcotic Control. Yale University Press.

Norman Zinberg (1979), Addiction and Ego-function. In: The p. a. study of the child, 30, 1979.

Mike Jay (2000), Emperors of Dreams. Drugs in the Nineteenth Century. Dedalus UK.

Joel Dyer (2000), The Perpetual Prisoner Machine. How America profits from crime. Westview Press.

Jacob Sullum (1998), For your own good. The anti-smoking crusade and the tyranny of public health. The Free Press.

John Booth Davies (1992), The Myth of Addiction. An application of the psychological theory of attribution to illicit drug use. Harwood Academic Publishers.

Jaap van der Stel (1995), Drinken, drank en dronkenschap. Vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland. Uitgeverij Verloren.

Jan-Willem Gerritsen (1003), De politieke economie van de roes. De ontwikkeling van reguleringsregimes voor alcohol en opiaten.Amsterdam University Press.

Marcel de Kort (1995), Tussen patient en delinquent. Geschiedenis van het nederlandse drugbeleid. Uitgeverij Verloren.

Martin Grapendaal, Ed Leuw, Hans Nelen (1995), A world of opportunities. Life-style and economic behavior of heroin addicts in Amsterdam. State University of New York.

Troy Duster (1970), The legislation of morality. Law, Drugs and Moral Judgement. The Free Press.

Christian Parenti (2000), Lockdown America. Police and prisons in the age of crisis. Verso Publishers.

Craig Reinarman and Harry Levine (eds) (1997), Crack in America. Demon drugs and social justice. University of California Press.

Henri Bergeron (1996), Soigner la toxicomanie. Les dispositifs de soins, entre idéologie et action. L'Harmattan Paris.

Nicole Hahn Rafter (1997), Creating born criminals. University of Illinois Press.

Aleksander Solzhenitsyn (1974), The Gulag Archipelago 1918-1956: An experiment in literary investigation. Harper and Row.

Peter Cohen (1992), Junky Elend: Some ways of explaining it and dealing with it. From a pharmacological explanation of junkie behaviour to a social one. Wiener Zeitschrift für Suchtforschung, Vol. 14, 1991, 3/4. pp. 59-64. June, 1992.

H. Montgomery Hyde (1973), The trials of Oscar Wilde. Dover Editions.

Wolfgang Schivelbusch (1980), Das Paradies, der Geschmack und die Vernunft. Hanser Verlag.Vertaald als Tastes of Paradise. A social history of Spices, Stimulants, and Intoxicants (1993), Vintage Books.

Alfred Lindesmith (1947), Opiate Addiction. Principia Press.

Hanan Frenk and Reuven Dar (2000), A Critique of Nicotine Addiction. Kluwer.

Van Jay, Cohen, Levine, Reinarman en vele anderen zijn tal van relevante publicaties te vinden op http://www.cedro-uva.org

Noten

  1. Dit stuk is geschreven op verzoek van de Redactie van de Academische Boeken Gids, in 2003. De redactie besloot het niet te plaatsen, vanwege de lengte, een gebrek aan duidelijke ‘lijn’ en vanwege het ‘strijdlustige’ karakter van het stuk. De hier beschikbare versie is vrijwel identiek aan de oorsponkelijke, op de zeer gewaardeerde opmerkingen van Erik van Ree en Justus Uitermark na, waarmee in deze versie rekening is gehouden.
  2. Gerritsen heeft het ook over het belang van ‘belastingheffing’ als onderdeel van het onstaan van reguleringsregimes rondom roesmiddelen.
  3. Een vervlechting die de causaliteits attributies van de late middeleeuwen verbindt met de computergestuurde efficiency van moderne opsporing en onderdrukking.
  4. In Europa is het gemiddeld aantal gevangen per 100.000 inwoners rond de 100. In de VS ruim 700 (met sommige staten ver boven de duizend). Deze miljoenen gevangenen, verborgen in duizenden gevangenissen, en van alle civiele status en kiesrecht ontdaan, zullen een nekbrekende erfenis worden voor de VS generaties van 2010 en later (Parenti, Dyer). Dat de VS het gevangenkamp van de wereld zijn geworden, is in de politiek van de VS als in die van Europa niet doorgedrongen.
  5. Als middeleeuwse alchemisten zoeken de NIDA speurders naar de op dit moment cultureel meest afschrikwekkende schades van drugs, die in onze ‘hersenen’(schade aan geslachtsorganen heeft even afgedaan). En, natuurlijk, naar de drug die ‘verslavingsziekte’ in de hersenen opheft. In Nederland lopen de meeste verslavingsdeskundigen deze met NIDA dollars opgekrikte mode achterna.
  6. De verwarring die van mensen een wrak kan maken als ze zijn ontslagen of anderszins zonder werk en werkstructuur in het leven komen te zitten wordt niet gezien als een effect van gefrustreerde ‘werkverslaving’. Terecht natuurlijk. En dat de meeste mensen als een haas naar nieuw werk gaan zoeken om toch in godsnaam maar wat om handen te hebben en om sociale status op te houden wordt ook niet gezien als ‘terugval in de werkverslaving’.
  7. Weinigen onttrekken zich hieraan, en wie dat toch durven wacht geen prettig lot, zoals Frenk en Dar is overkomen. Hun fenomenale drie jaar oude boek A critique of nicotine Addiction is verketterd als een ‘ingeving van de tabaksindustrie’(de moderne duivel) en als volkomen strijdig met de moderne inzichten. Inderdaad!
  8. Grote farmaceuten steunen de ‘just say no’ en ‘look at your brain on drugs’ campagnes in de VS met reusachtige sommen geld. Voor hen is het landschap van de ‘slechte drugs’ de lucratieve achtergrond waartegen zij de mythe van hun eigen ‘onbetwistbare kwaliteit’ kunnen construeren. Onze medici en vooral psychiaters zijn verslaafd geraakt aan de farmaceutische producten en de PR daaromheen, omdat ze dan meeliften op die mythologie. (Dit betekent niet dat ik denk dat nieuwe producten helemaal geen waarde hebben of kunnen krijgen!)
  9. De voormalige drug tsaar McCaffrey is in in 1998 in ons land bekend geworden met de uitspraak dat door het drugbeleid Nederland de meest moordzuchtige natie ter wereld was geworden, met (het fictieve) 8 moorden per 100.000 inwoners per jaar. Tegenwoordig maken de drug tsaren ons land tot ‘het Colombia’ van de ecstacy, daarbij enthousiast geholpen door Nederlandse handlangers, verklikkers en officieren van justitie wier loon afhangt van XTC handel opsporen (of laten uitlokken door diplomatiek onschendbare drugsagenten van de VS).
  10. Van Mierlo, de model D’66er, is overigens wel de enige Nederlandse politicus geweest, die de intellectuele en politieke moed had om in de grote zalen van de Verenigde Naties kritiek te leveren op het prohibitionistisch geloofsapparaat.
Last update: May 25, 2016